Op zoek naar houvast bij het werken met het DSO, hier zijn onze 10 tips. Binnen Antea Group werken wij met de expertisegroep Programma’s onder de Omgevingswet. Dit proces vergt meer dan alleen het publiceren van een beleidsstuk. Structuur, annotatie en afstemming spelen daarbij een grote rol. 

Op basis van onze specialismen en ervaringen hebben we vanuit de expertisegroep Programma’s onder de Omgevingswet, 10 tips op een rij gezet voor het verwerken van omgevingsprogramma’s in het DSO. 

Deze tips zijn ook te gebruiken voor het maken van een omgevingsvisie in het DSO. 

1. Afstemming met gemeente – opdrachtgevers – adviseurs kost tijd

Het verwerken van een omgevingsprogramma in het DSO vraagt veel afstemming tussen gemeente, opdrachtgever, adviseurs en geo specialisten. Houd hier rekening mee en organiseer dit proces vooraf. Vraag bijvoorbeeld of er een annotatiestrategie aanwezig is.

2. Bepaal vooraf de werkwijze

Bepaal op voorhand of je nog wilt testen en wel of geen gebruik wilt maken van de pré omgeving van regels op de kaart. In sommige gevallen kan het fijn zijn om te oefenen met de software/het publiceren. Dan kan de pré-omgeving uitkomst bieden. Zodat je eerst het eindproduct kunt bekijken en ziet wat de gevolgen zijn van bepaalde keuzes in tekst, structuur en annotatie. Let wel, dit heeft effect op kosten en tijd, en zorgt bij verschillende softwarepakketten zelfs voor dubbel werk.

3. Toegankelijkheid van het omgevingsprogramma

Het Omgevingsloket moet toegankelijk zijn voor iedereen. Iedereen, ook mensen met kleurenblindheid en slechtziendheid moeten in het Omgevingsloket informatie kunnen opzoeken over de omgeving waarin degene iets over wil weten. Dit is een aspect dat belangrijk is tijdens de opmaak en structuur van het omgevingsprogramma. Denk hierbij ook aan alternatieve teksten bij foto’s en kleurgebruik. Maak tabellen en afbeeldingen niet te complex of check deze in de pre-omgeving.

4. Bepaal eerst de structuur van het omgevingsprogramma

Werk met duidelijke koppen, thema’s en gebieden. Thema’s vergroten de vindbaarheid in het DSO en helpen gebruikers sneller te begrijpen waar wat geldt -> Thema - Waardelijsten - Stelselcatalogus Omgevingswet. De structuur vormt ook de basis voor annotatie (zie punt 3). Door overal zoveel mogelijk dezelfde opbouw te hanteren, wordt het gemakkelijker om programma’s met elkaar te vergelijken en te herkennen.

5. Stem de structuur af met een geo-specialist

Bepaal aan de voorkant hoe de teksten samenkomen met de geometrie (werkingsgebieden en locaties). Dit voorkomt inefficiëntie en het herstructureren van het omgevingsprogramma en draagt bij aan een beter proces van het annoteren. 

6. Tekst koppelen aan geometrie: Annoteren

Bij annoteren worden teksten (zoals maatregelen en spelregels) gekoppeld aan werkingsgebieden of locaties. Het annoteren resulteert in koppelingen. Waarbij je op een locatie klikt en je de verbonden tekst (zoals spelregels en maatregelen) te zien krijgt.  Let op! Stem op voorhand af welke teksten voor welke gebieden gekoppeld moeten worden (zie punt 2).  

7. Het gebruik van algemene tekst

In omgevingsprogramma’s wordt ook gebruik gemaakt van algemene teksten die niet gerelateerd zijn aan werkingsgebieden, maar die gaan over het gehele grondgebied. Deze moeten worden geannoteerd voor het gehele grondgebied. Ook wordt veel gebruikgemaakt van inleidende teksten. Zorg ervoor dat deze een eigen kopje krijgen. Deze tekst kan niet gelijk onder een hoofdstuk of paragraaf worden geplaatst.

8. Het gebruik van vlakken

De geschreven tekst in het omgevingsprogramma kan worden gekoppeld aan punten, lijnen of vlakken. De voorkeur ligt bij het toepassen van vlakken. Dit kunnen exacte grenzen zijn wanneer het gebied afgekaderd is. Ook kan er gebruik worden gemaakt van indicatieve grenzen, het vlak wordt dan geannoteerd als indicatief. Laat de begrenzing van de gebieden zoveel mogelijk samenvallen met de gebiedsindeling van de omgevingsvisie en het omgevingsplan. 

9. Verplichte omgevingsprogramma’s en onverplichte omgevingsprogramma’s in het DSO

Verplichte omgevingsprogramma’s moeten in het DSO worden opgenomen. Vrijwillige omgevingsprogramma’s hoeven dat niet, maar het is sterk aan te raden om dit wel te doen voor samenhang en transparantie. Dit bevordert bovendien een juiste doorwerking naar bijvoorbeeld omgevingsplannen.

10. Begrippen aansluiten bij landelijke en gemeentelijke begrippen

Gebruik dezelfde begrippen als in het omgevingsplan (Bruidschat, Bkl, Bbl en Bal), andere omgevingsprogramma’s en de omgevingsvisie. Dit voorkomt verwarring en verbetert de samenhang tussen het beleid.