Met de Omgevingswet bepalen decentrale overheden steeds vaker hun eigen normen voor de bodem. Hierdoor dreigen toetsingsregels versnipperd te raken. Een klein nieuwsbericht vorig jaar juli kondigde aan dat het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat stopt met de toetsservice BoToVa. Valt de bodemsector nu terug op eigen toetsingsprogramma’s en/of Excelbladen? Of ligt de oplossing bij de kersverse Commissie Inventarisatie Toetsingsregels (CIT) die alle landelijke én lokale toetsingsregels bundelt?
Het ontstaan van BoToVa
De Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa) is ontstaan in 2013 en werd destijds ontwikkeld in opdracht van en door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB). Het initiatief kwam voort uit een duidelijke behoefte in de sector aan uniforme, eenduidige en reproduceerbare toetsing van bodem- en waterbodemgegevens. Die worden getoetst aan landelijk geldende normen, zoals vastgelegd in het Wet Bodembescherming en achterliggende Besluiten (onder andere het Besluit bodemkwaliteit). Al kort na oplevering is BoToVa breed geadopteerd door marktpartijen, softwareleveranciers en overheden. Het stelde bodemadviseurs en bevoegd gezag in staat om toetsingen consequent en transparant uit te voeren.
In 2017 is het applicatiebeheer van BoToVa overgedragen aan Rijkswaterstaat, waarmee het instrument de facto uitgroeide tot een landelijk gedragen toetsvoorziening. BoToVa werd onder meer gebruikt in Aquo kit en in commerciële softwaresystemen via een toetsservice van onder andere TerraIndex, Veldapps en Schreurs. Daarmee vervulde BoToVa een belangrijke publieke functie, zonder dat het expliciet als wettelijke overheidstaak was vastgelegd.
Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven rijksregels bestaan. Deze wet stelt gemeenten en provincies meer in staat eigen normen vast te stellen voor de bodemkwaliteit. Hierdoor kan een groei aan decentrale toetsingsregels ontstaan die per regio kunnen verschillen.
Het besluit: stoppen met centrale toetsservice per 1 juli 2026
In juli 2025 kondigde het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aan dat het aanbieden en beheren van de toetsservice stopt per 1 juli 2026, en dat de broncode beschikbaar komt voor marktpartijen.1 Daarmee verandert BoToVa van een centrale publieke voorziening in een bouwsteen waar anderen mee verder kunnen – of niet.
Belangrijk is om scherp te onderscheiden wat dit wel en niet betekent:
Niet: de toetsing “verdwijnt”. De rijksregels blijven van kracht en BoToVa levert de broncodes, inclusief testbestanden aan de
markt.
Wel: dat de centrale plek waar voorheen toetslogica werd beheerd, gehost en actueel gehouden wegvalt.
En dus: dat de sector een overgang doormaakt van “één waarheid” naar “meerdere implementaties”, tenzij we afspraken maken over uniformiteit, versiebeheer en toetsconformiteit.
Wat verandert er in de praktijk op 1 juli 2026?
De kernvraag voor veel lezers is heel concreet: kan ik BoToVa na 1 juli 2026 nog gebruiken? Het eerlijke antwoord is: dat hangt af van wie de dienstverlening voortzet en onder welke governance. Het stoppen van de centrale service betekent in ieder geval dat:
1. Continuïteit niet langer ‘publiek’ gegarandeerd is: Updates, hosting, support en doorontwikkeling zijn niet meer vanzelfsprekend door Rijkswaterstaat georganiseerd.
2. Versies en implementaties kunnen gaan uiteenlopen: Als meerdere partijen de broncode gebruiken (of eigen varianten maken), ontstaat het risico op verschillen in interpretatie, rekenregels, afrondingen, uitzonderingen en mapping naar stofcodes.
3. Uitlegbaarheid en vergelijkbaarheid onder druk komen: Een toetsresultaat is pas bestuurlijk bruikbaar als duidelijk is: welke regels, welke versie, welke aannames en welke
uitzonderingen zijn toegepast.
4. Bevoegd gezag krijgt een zwaardere toetslast: Als toetsservices verschillen, moet een gemeenten en Omgevingsdiensten vaker inhoudelijk kunnen beoordelen of de implementatie correct is – precies daar waar capaciteit en specialistische kennis al onder druk staan.
Daarmee is 1 juli 2026 niet “de dag dat er niet meer getoetst kan worden”. Marktpartijen zoals TerraIndex, Nazca Bodem, Veldapps en Scheurs zullen de door hen ontwikkelde toetsingen blijven aanbieden. Er is wel sprake van een kantelpunt:
uniformiteit en vertrouwen zijn dan niet langer ingebakken in één landelijke voorziening, maar moeten worden georganiseerd.
Risico’s voor de bodemsector
Zonder een vorm van centrale, gestandaardiseerde toetslogica ontstaat het risico dat elke softwareleverancier, elk adviesbureau en elk bevoegd gezag zijn eigen interpretatie of toetsing ontwikkelt. Bodemadviseurs en toezichthouders gebruiken massaal de ontwikkelde toetsservices zoals die in de markt beschikbaar zijn. Het gemak van deze diensten zorgt ervoor dat de gemiddelde adviseur blindelings kan vertrouwen op de geleverde toetsingstabellen die de verschillende systemen aanbieden. Echter is bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet gebleken dat gepubliceerde normen soms (multi-)interpretabel zijn. Als voorbeeld stond in de omgevingsverordening van een provincie een voorkeurswaarde voor ‘som van de bestrijdingsmiddelen’, maar in de voetnoot werd niet toegelicht welke stoffen vallen onder deze somparameter. Ook zijn stoffen opgenomen waarvoor nog geen SIKB-codes beschikbaar waren. Zonder deze stofcodes kunnen systemen geen validatie van toetsingen uitvoeren.
Het niet volledig opnemen van normen kan leiden tot vertraging in vergunningverlening, extra bezwaarprocedures en verminderde uitlegbaarheid van besluiten. Bovendien moeten overheden zelf meer inhoudelijke kennis organiseren om toetsingen te kunnen beoordelen. Dat sluit niet altijd aan bij beschikbare capaciteit en expertise. Deze combinatie – de groei van decentrale regels en het wegvallen van BoToVa – maakt de behoefte aan een centraal, eenduidig overzicht van alle toetsingsregels zeer urgent.
Is het stoppen dan onverstandig?
Als er geen gezamenlijke afspraken komen over beheer, versies en toetsconformiteit, is het stoppen risicovol. Dan ontstaat een markt van implementaties waarin verschillen onvermijdelijk zijn. Dat is slecht voor rechtszekerheid, vergelijkbaarheid en bestuurlijke uitlegbaarheid.
Tegelijkertijd kan het stoppen ook een kans zijn: de sector kan transparanter werken, toetslogica expliciet maken en de governance moderniseren. Het publiek private netwerk in de bodemsector is gewend aan standaarden (zoals datastandaarden en SIKB structuren). De sleutel is wel: niet alleen broncode delen, maar ook afspraken over inhoud, tests en beheer.
De route vooruit: oprichting van de CIT
Om te voorkomen dat het toetsingslandschap onoverzichtelijk en gefragmenteerd wordt, nam de branche van adviesbureaus, verenigd in VKB en VVMA, in 2023 het initiatief om in gesprek te gaan met Rijkswaterstaat en SIKB als beheerder van de toetsingsmodule en respectievelijk de bodemnormen. Het bestuur van SIKB stemde eind 2025 in met de oprichting van de Commissie Inventarisatie Toetsingsregels (CIT)2. Deze nieuwe commissie speelt een centrale rol in het inventariseren, structureren en toetsbaar maken van alle Rijks- én lokale toetsingsregels voor (water)bodemonderzoek. Met de CIT wordt een belangrijke eerste stap gezet naar een toekomstbestendige, transparante en eenduidige inrichting van het toetsingslandschap onder de Omgevingswet. In combinatie met het wegvallen van BoToVa wordt de behoefte aan eenduidige en toepasbare toetsingsregels urgenter. Hoe deze structureel worden vastgelegd en beheerd, is onderwerp van een afzonderlijk artikel in dit nummer.
De echte vraag is niet “wie bouwt de service?”, maar “wie borgt uniformiteit?”
BoToVa was jarenlang een stil fundament: je merkte het pas echt als het er niet meer is. Het stoppen van de centrale toetsservice is daarom geen puur technische wijziging, maar een stelselwijziging in de praktijk. Als we niets doen, ontstaat versnippering. Als we de overgang benutten om toetsingsregels expliciet te maken, conformance tests te organiseren en transparantie af te dwingen, dan kan deze verandering juist leiden tot een robuuster en toekomstbestendig toetsingslandschap.
De CIT is een belangrijke stap richting die inhoudelijke basis. Maar de sector zal daarnaast gezamenlijke afspraken moeten maken over toetsconformiteit en verantwoording. Alleen dan blijft “uniform toetsen” ook zonder één centrale service een feit – en geen herinnering.
Meer weten over dit onderwerp?
Neem contact met ons op.